benevelt

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·ne·velt

Werkwoord

vervoeging van
benevelen

benevelt

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van benevelen
    • Jij benevelt. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van benevelen
    • Hij benevelt. 
  3. (verouderd) gebiedende wijs meervoud van benevelen
    • Benevelt!