benedenhuis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
een huis met een boven- en een benedenhuis vandaar 2 voordeuren.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·ne·den·huis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord benedenhuis benedenhuizen
verkleinwoord benedenhuisje benedenhuisjes

Zelfstandig naamwoord

benedenhuis o

  1. woning op de begane grond in een huis met meerdere verdiepingen
    • Gehandicapten kunnen vaak alleen maar wonen in een benedenhuis of in een huis met een lift. 

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be