beneden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·ne·den

Bijwoord

  vnw. bijw.
  voorzetselbijwoord     beneden  
 persoonlijk     erbeneden  
aanwijz.   nabij     hierbeneden  
  veraf     daarbeneden  
  vragend/betrekk.     waarbeneden  

beneden ;

  1. op een plek die lager is, onder
    Zij wonen beneden.
  2. prepositionaal deel van een voornaamwoordelijk bijwoord
    Hij woont al jaren in een flat waar een muziekwinkel beneden is.
  3. ten zuiden van
    Zij wonen beneden de grote rivieren.
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Voorzetsel

beneden

  1. op een plek die lager is
    Beneden het huis is een grote kelder.
Vertalingen