bemoederen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·moe·de·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • samenstellende afleiding moeder met het voorvoegsel be- en met het achtervoegsel -en [1]

Werkwoord

bemoederen

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bemoederen
bemoederde
bemoederd
zwak -d volledig
  1. (te) bazig en zorgend optreden
    • Ze keek van me weg. Ik wist wat ze dacht: waarom heb jij toch altijd de pretentie om alles beter te weten en mij te bemoederen? Maar ze hield haar mond, want voor je het wist was er ruzie. Ze kon niet tegen ruzie. Er waren genoeg ruzies in haar leven geweest.[2] 
    • Het is een delicate evenwichtsoefening: willen bemoederen zonder bemoeizuchtig over te komen. ‘Veel hangt af van hun voorgeschiedenis en de huidige gezinssituatie. Was de ouder-kindrelatie al hecht of niet? Heeft het kind intussen een partner en een eigen gezin? Bij alleenstaande of gescheiden kinderen is de betrokkenheid van ouders doorgaans groter.’ [3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Majeau, Olga Een schitterend isolement [2015] ISBN 978-90-214-5780-2 pagina
  3. Tubantia ZATERDAG 7 OKTOBER 2017