bemeten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·me·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van meten met het voorvoegsel be-
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen bemeten bemetener bemetenst
verbogen bemetenste
partitief bemetens bemeteners -

Bijvoeglijk naamwoord

bemeten

  1. door meting afgeperkt
    • Hij bewoonde een ruim bemeten woning. 
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bemeten
bemat
bemeten
klasse 5 volledig

Werkwoord

bemeten

  1. overgankelijk iets aan een (af)meting onderwerpen
    • Zij bematen het stuk land. 

Werkwoord

Woordherkomst en -opbouw
  • vervoeging van bemeten: de stam met de uitgang -en, zonder ge- vanwege voorvoegsel (is gelijk aan de onbepaalde wijs)
vervoeging van
bemeten

bemeten

  1. voltooid deelwoord van bemeten

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
77 % van de Vlamingen.