bemergelt

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·mer·gelt

Werkwoord

vervoeging van
bemergelen

bemergelt

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bemergelen
    • Jij bemergelt. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bemergelen
    • Hij bemergelt. 
  3. verouderde gebiedende wijs meervoud van bemergelen
    • Bemergelt!