beltegoed

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bel·te·goed
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord beltegoed beltegoeden
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

beltegoed o

  1. resterend bedrag of tijd waarvoor men nog kan telefoneren met je mobiele telefoon
    • Mijn beltegoed is op. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be