beloop

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·loop
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van loop (stam van het werkwoord lopen) met het voorvoegsel be-
enkelvoud meervoud
naamwoord beloop belopen
verkleinwoord beloopje beloopjes

Zelfstandig naamwoord

beloop o [1]

  1. (economie) een bedrag
    • Het beloop was 14 euro. 
  2. talud, hellend vlak
    • Het beloop is het schuine vlak langs een weg, watergang of dijk. 
  3. de wijze waarop iets zich min of meer vanzelf ontwikkeld
    • In de DSM -IV is niet meer, zoals in eerdere versies van de DSM, vereist dat de ziekte een progressief of een irreversibel beloop heeft. 
Hyponiemen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • iets op zijn beloop laten
geen enkele poging doen de gang van zake te beïnvloeden.

Werkwoord

vervoeging van
belopen

beloop

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van belopen
    • Ik beloop. 
  2. gebiedende wijs van belopen
    • Beloop! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van belopen
    • Beloop je? 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen