beloega

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·loe·ga
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Russisch, in de betekenis van ‘walvisachtige’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1847 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord beloega beloega's
verkleinwoord beloegaatje beloegaatjes

Zelfstandig naamwoord

beloega

  1. (dierkunde) tandwalvis die doorgaans bij volwassenheid melkwit van kleur is
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

40 % van de Nederlanders
49 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen