belkoord

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bel·koord
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord belkoord belkoorden
verkleinwoord belkoordje belkoordjes

Zelfstandig naamwoord

belkoord o [1]

  1. een koord waarmee je een bel kunt laten rinkelen als je eraan trekt
    • Bekend is het verhaal van een wild vrouwtje dat door mensen geleerd werd om aan een belkoord te trekken, waarop ze haar eten kwamen geven. Ze leerde het kunstje aan haar kinderen, die het verscheidene generaties doorgaven. [2] 
    • De oude hospitaalsite, die ooit een ziekenhuis, rusthuis en museum herbergde maar al jaren leegstaat, gooit speciaal voor het Stadsfestival haar deuren open. Aan de deur van de voormalige kamer van de pastoor hangt nog de belkoord waarmee hij de nonnen een paar verdiepingen hoger wakker kon maken. Het bijzondere verleden van het gebouw voegt een extra laag toe aan de kunstwerken. [3] 

Gangbaarheid

84 % van de Nederlanders;
81 % van de Vlamingen.[4]


Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. De Standaard 13 MAART 2000 Pieter Van Dooren DE NIEUWE BELGEN 3: de wasbeer
  3. De Standaard ZATERDAG 20 OKTOBER 2018 ‘Watou light’ voor Damme
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be