belemmerde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·lem·mer·de

Werkwoord

vervoeging van
belemmeren

belemmerde

  1. enkelvoud verleden tijd van belemmeren
    • Ik belemmerde. 
    • Jij belemmerde. 
    • Hij, zij, het belemmerde. 
  2. verbogen vorm van belemmerd, voltooid deelwoord van belemmeren