Naar inhoud springen

belegsel

Uit WikiWoordenboek
  • be·leg·sel
enkelvoud meervoud
naamwoord belegsel belegsels
verkleinwoord belegseltje belegseltjes

het belegsel o

  1. dat wat men op een boterham doet om het smakelijker te maken
    • Er werden veel goede woorden gesproken en de grote sneden brood met echt Drents belegsel werd alle eer aangedaan. [2] 
    • Terwijl mijnheer in stad zijn beleggingen verzorgt, heeft mevrouw in haar morgenjak de beslommeringen van het ‘belegsel’. Wat zal het wezen vandaag? Kaas, rookvleesch of boterhammenworst? [3] 
  2. iets waarmee men een oppervlak bedekt ter versiering of bescherming
    • Tabernakelkastje (XVIII d) met parelmoer belegsel en houten beeldjes. [4] 
73 %van de Nederlanders;
80 %van de Vlamingen.[5]
  1. ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. ↑ Neerlandia. Jaargang 61 Drenthse dag in Den Haag Voorloper van vele provinciedagen
  3. ↑ (1929)–Kees van Bruggen De geschiedenis van het huis. Een verhaal van vele avonturen
  4. ↑ Voorloopige lijst der Nederlandsche monumenten van geschiedenis en kunst. Deel III. De provincie Zuidholland Zevenhoven.
  5. ↑ Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be