beleed

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·leed

Werkwoord

vervoeging van
belijden

beleed

  1. enkelvoud verleden tijd van belijden
    • Ik beleed. 
    • Jij beleed. 
    • Hij, zij, het beleed. 

Gangbaarheid

78 % van de Nederlanders
55 % van de Vlamingen.