Naar inhoud springen

belde

Uit WikiWoordenboek
  • bel·de
vervoeging van
bellen

belde

  1. enkelvoud verleden tijd van bellen
    • Ik belde. 
    • Jij belde. 
    • Hij, zij, het belde. 
     De week daarna en ook die daarna zagen we elkaar niet, en ze belde me ook niet.[1]
     De crèche belde of we onze kinderen eerder wilden ophalen zodat de leidsters op tijd naar huis konden; de meesten van hen woonden ver' weg, in het volgende dorp of de volgende stad.[2]
  1. Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  2. Lynn Berger
    “De tweede: over het zijn en krijgen van een tweede kind” (2021), De Correspondent, ISBN 9789082821697