belde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bel·de

Werkwoord

vervoeging van
bellen

belde

  1. enkelvoud verleden tijd van bellen
    • Ik belde. 
    • Jij belde. 
    • Hij, zij, het belde.