belde
Uiterlijk
- bel·de
| vervoeging van |
|---|
| bellen |
belde
- enkelvoud verleden tijd van bellen
- Ik belde.
- Jij belde.
- Hij, zij, het belde.
- Ik belde.
- ▸ De week daarna en ook die daarna zagen we elkaar niet, en ze belde me ook niet.[1]
- ▸ De crèche belde of we onze kinderen eerder wilden ophalen zodat de leidsters op tijd naar huis konden; de meesten van hen woonden ver' weg, in het volgende dorp of de volgende stad.[2]
- Het woord belde staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ↑ Jessie Burton vert. Marja Borg“De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024574704 - ↑ Lynn Berger“De tweede: over het zijn en krijgen van een tweede kind” (2021), De Correspondent, ISBN 9789082821697