belastingdruk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·las·ting·druk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord belastingdruk
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

belastingdruk m [1]

  1. (economie) het percentage van het bruto inkomen dat men aan belastingen moet betalen
    • Kees Vendrik: „De belasting op kapitaal holt achteruit door belastingontwijking en internationale concurrentie. Dus zie je ophoping van de belastingdruk bij lage en middeninkomens. De enige manier om daar onderuit te komen: als bedrijven eerlijk belasting betalen. En eerlijke belasting op vermogen van particulieren.”[2] 
  2. het percentage van het bruto binnenlands product dat betaald moet worden als belasting
    • Twee jaar geleden, aan de vooravond van de Provinciale Statenverkiezingen kreeg de D66-leider het strenge oordeel ‘onwaar’ van NRC, toen hij in een televisiedebat stellig had beweerd dat „de belastingdruk” in Nederland „op het hoogste niveau in 20 jaar” stond. De factcheck-redactie van deze krant, opgericht in 2012, was onverbiddelijk. Pechtold had immers geen onderscheid gemaakt tussen ‘belastingen’ en ‘sociale premies’, in de definitie van het CPB de twee componenten van ‘de collectieve lasten’ voor belastingbetalende burgers.[3]  
Vertalingen

Meer informatie

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Petra de Koning Thijs Niemantsverdriet 15 april 2017
  3. NRC Philip de Witt Wijnen 14 maart 2017