belaging

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·la·ging
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord belaging belagingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

belaging v [1]

  1. (juridisch) stelselmatig lastigvallen van een persoon, door die persoon te achtervolgen, steeds op hinderlijke wijze contact op te nemen en soms ook te bedreigen
    • Oldenzaler Wilfried R. heeft vrijdagmorgen de rechtbank gewraakt in de strafzaak tegen hem. R. wordt ervan verdacht op 27 september 2017 apotheker Nieuwenhuis in Oldenzaal te hebben mishandeld en vernielingen te hebben aangericht. Ook stalking en belaging worden hem ten laste gelegd. [2] 
    • Graus is evenwel vaker in opspraak geraakt. Zo beschuldigde een eerdere ex Graus ervan dat hij haar keel had dichtgeknepen en gedreigd had 'een vuurwapen tussen haar wenkbrauwen te zetten'. De zaak liep spaak op gebrek aan bewijs, maar in een uitgelekt bericht van justitie was te lezen dat de hoofdofficier dat achteraf toch 'een verkeerde beslissing' vond. Daarvoor al had een Belgische vriendin van Graus aangifte gedaan van belaging en stalking. Ook die zaak draaide uiteindelijk op niets uit. [3] 
    • De man bestookte zijn ex tussen juni 2017 en mei 2018 met een stortvloed aan mailtjes en sms’jes. Met daarin soms dreigende taal en scheldwoorden. Een poging tot mediation liep op niets uit en ook nadat hem door de politie te verstaan was gegeven dat hij moest ophouden, ging de man gewoon door. De rechtbank wijst in haar vonnis op de grote impact van de belaging en de psychische gevolgen voor het slachtoffer. [4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

81 % van de Nederlanders;
85 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen