belager

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·la·ger
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord belager belagers
verkleinwoord belagertje belagertjes

Zelfstandig naamwoord

belager m

  1. iemand die iemand anders lastig valt
    • Vervolgens ontpopt de film zich als een thriller over een raadselachtige vrouw, die niet naar de politie stapt, maar zelf de identiteit van haar belager wil achterhalen, en een merkwaardige seksuele obsessie ontwikkelt met de dader.[1] 
  2. tegenstander in de strijd
    • Favoriet is volgens de peilingen de partijloze Gudni Johannesson met 44,6 procent van de stemmen. De 47-jarige docent geschiedenis aan de universiteit van Reykjavik heeft daarmee een ruime voorsprong op zijn naaste belager, zakenvrouw Halla Tomasdottir. Zij kan volgens opiniepeilers op 18,6 procent van de stemmen rekenen. [2] 
Synoniemen
  1. achtervolger, vervolger, stalker, aanrander
  2. vijand
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. NRC Peter de Bruijn 31 mei 2016
  2. NRC Joost Pijpker 25 juni 2016
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be