belader

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

stakende belader
Uitspraak
Woordafbreking
  • be·la·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord belader beladers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

belader m

  1. (beroep) iemand die een vracht in of op een voertuig laadt
    • Deze huisvuilwagens zijn uitgerust met een hefarm aan de zijkant van de wagen die vanuit de chauffeurskabine wordt bediend. Een ‘belader’ achterop de wagen die handmatig de containers op de hefarm zet, is dan niet meer nodig. [1] 
    • Het gaat bij de gedwongen ontslagen vooral om staf- en ondersteunende functies. Chauffeurs en beladers worden minder getroffen. [2] 
    • Verdi eist voor de bijna duizend medewerkers in de dienstverlening op Hamburg Airport, onder wie beladers, bagageverwerkers en buschauffeurs, een salarisverhoging van 275 euro per maand. Enkele weken geleden zorgde een staking van de luchthavenbeveiliging voor veel ongerief. [3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

84 % van de Nederlanders;
57 % van de Vlamingen.

Verwijzingen