bekvechtte

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bek·vecht·te

Werkwoord

vervoeging van
bekvechten

bekvechtte

  1. enkelvoud verleden tijd van bekvechten
    • Ik bekvechtte. 
    • Jij bekvechtte. 
    • Hij, zij, het bekvechtte.