beknotte

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·knot·te

Werkwoord

vervoeging van
beknotten

beknotte

  1. enkelvoud verleden tijd van beknotten
    • Ik beknotte. 
    • Jij beknotte. 
    • Hij, zij, het beknotte. 
  2. verbogen vorm van beknot, voltooid deelwoord van beknotten