beklinken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·klin·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
beklinken
beklonk
beklonken
klasse 3 volledig

Werkwoord

beklinken[2]

  1. overgankelijk een vaste afspraak maken
    • Na een marathonzitting beklonken ze eindelijk een nieuwe regeling. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen