bekladder

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·klad·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bekladder bekladders
verkleinwoord bekladdertje bekladdertjes

Zelfstandig naamwoord

bekladder m

  1. iemand die op een vernielzuchtige manier iets met opzet smerig maakt
    • Bekladder monument Nicky Verstappen naar kliniek: Eric A (43), die afgelopen zomer het monument ter nagedachtenis van Nicky Verstappen vernielde, moet voor een jaar worden opgenomen in een psychiatrische kliniek. Dat heeft de rechtbank besloten. [1] 
    • De bekladder van de verkiezingsposters in Enschede lijkt zich te hebben beperkt tot de verkiezingsborden in de wijken ten zuiden van het centrum. [2] 
    • Het beeld van de Britse beeldhouwer Anish Kapoor, een stalen buis die vanwege de uitstulpingen aan het uiteinde de bijnaam Vagina van de Koningin draagt, werd afgelopen weekend beklad met antisemitische leuzen. De eerste graffiti-aanval was in juni, kort na de onthulling. Sinds de tweede bekladding werd het beeld extra in de gaten gehouden. Hoe de bekladders die beveiliging hebben weten te omzeilen is nog niet duidelijk. Ze sloegen toe in de nacht van woensdag op donderdag. Volgens het kasteel van Versailles wordt de beveiliging nog verder aangescherpt. [3] 
  2. (figuurlijk) iemand die de goede naam van iemand aantast
Synoniemen

Werkwoord

vervoeging van
bekladderen

bekladder

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bekladderen
    • Ik bekladder. 
  2. gebiedende wijs van bekladderen
    • Bekladder! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bekladderen
    • Bekladder je? 

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Verwijzingen