bekladden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·klad·den
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bekladden


bekladde


beklad


zwak -d volledig

Werkwoord

bekladden [1]

  1. (overgankelijk) op lelijke wijze iets met verf, modder of graffiti bedekken
    Alle viaducten en muren waar je in de trein langsrijdt, zijn beklad door de spuitbussencultuur.
  2. (overgankelijk), (figuurlijk) iemands goede naam schaden
    Hij werd beklad met allerlei verdraaiingen, halve waarheden en grove leugens.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bekladden

bekladden

  1. meervoud verleden tijd van bekladden
    Wij bekladden.
    Jullie bekladden.
    Zij bekladden.
Verwijzingen
  1. Woordenboek der Nederlandse taal