bekladden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·klad·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bekladden
bekladde
beklad
zwak -d volledig

Werkwoord

bekladden [2]

  1. (overgankelijk) op lelijke wijze iets met verf, modder of graffiti bedekken
    Alle viaducten en muren waar je in de trein langsrijdt, zijn beklad door de spuitbussencultuur.
  2. (overgankelijk), (figuurlijk) iemands goede naam schaden
    Hij werd beklad met allerlei verdraaiingen, halve waarheden en grove leugens.
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bekladden

bekladden

  1. meervoud verleden tijd van bekladden
    Wij bekladden.
    Jullie bekladden.
    Zij bekladden.

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal