bekijven

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·kij·ven
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bekijven
bekeef
bekeven
klasse 1 volledig

Werkwoord

bekijven

  1. overgankelijk iemand ~ ruzie met iemand maken
    • Als ze een jongen bemoederde of met krols geaai troostte was hij achterdochtig, als ze hem bekeef en berispte was hij roekeloos weerbarstig.[1] 

Gangbaarheid

60 % van de Nederlanders;
77 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. De kruisweg, Herman J. Claeys