beita

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Oudnoords

Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Germaanse werkwoord *baitjan (= bijten) van Indo-Germaans: *bʰeid-
  • Woordopbouw: beit-a
stamtijd
onbepaalde
wijs
tegenwoordige
tijd
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
beita
beitar
beitaði
beitat
Klasse 1 zwak volledig

Werkwoord

beita

  1. laten bijten
  2. optomen
  3. grazen
  4. jagen
  5. doden
  6. (scheepvaart) bij het zeilen zigzag bijna tegen de wind varen, kruisen, laveren
Synoniemen
Hyponiemen
Opmerkingen
v, zwak enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   beita         beitur        
genitief   beitu         beitna        
datief   beitu         beitum        
accusatief   beitu         beitur        

Zelfstandig naamwoord

beita, v

  1. aas, lokaas, lokkertje, lokmiddel