beifügen
Uiterlijk
- bei·fü·gen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| beifügen |
fügte bei |
(hat) beigefügt |
| zwak | volledig | scheidbaar |
beifügen
- overgankelijk bijvoegen, toevoegen
- «Schon vierzehn Tage laufe ich mit der Frage herum, wie du deiner E-Mail eine Anlage beifügen kannst.»
- Al een tweetal weken loop ik met de vraag hoe je een bijlage moet bijvoegen in je mail.
- «Schon vierzehn Tage laufe ich mit der Frage herum, wie du deiner E-Mail eine Anlage beifügen kannst.»