behulp

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·hulp
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord behulp -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

behulp o [1]

  1. hulp, wordt nog gebruikt in de voorzetseluitdrukking 'met behulp van' (m.b.v.)
    • Tegenwoordig worden kranten gemaakt met behulp van computers. 
     Ik zou gaan lopen. Ik verheugde mij daarop. Ik had de hele treinreis de tijd gehad om met behulp van mijn mobiele telefoon de route van het station naar de Calle Nuova Sant'Agnese uit mijn hoofd te leren.[2]
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.

Verwijzingen