behouder

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·hou·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord behouder behouders
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

behouder m [1]

  1. iemand die zorgt dat iets of iemand niet vernietigd wordt of verloren gaat
    • Maar de kern is het geloof als mysterie, de levende liefdesband van een mens met zijn Schepper en Behouder en de bijbelse realiteit dat een gehavende en gedecimeerde groep gelovigen een ware en frisse 'bruidsgemeente van Christus' kan zijn. [2] 
  2. iemand die ervoor zorgt dat oude gebruiken niet te snel worden vervangen door nieuwe
    • De mensheid is in te delen in slordige vernieuwers en zorgzame behouders. Nomadische volkeren laten hun gereedschap achter wanneer ze verder trekken. Op de volgende plek vlechten ze opnieuw een hangmat en snijden nieuwe pijlen. Agrarische volkeren zijn zuiniger op hun spullen. Ze besteden meer moeite om die uit schaars hout en zeldzaam ijzer te vervaardigen, en dus ook om ze te onderhouden. [3] 
    • Diepraam was jarenlang een van de gezichtsbepalende fotojournalisten in Nederland. Zijn stijl had oorspronkelijk alle kenmerken van de sociaal geëngageerde fotografie; het gebruik van groothoeklenzen die het conflict van de stakers tegen de bazen, van de machtelozen tegen de regenten en de vernieuwers tegen de behouders zo lekker overzichtelijk maakten, en dat alles afgedrukt met zwarte, grofkorrelige luchten ter verhoging van het dramatische effect. [4] 
Synoniemen
Antoniemen

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC G.A. Glas 26 februari 1994 Secularisering
  3. NRC A. de Swaan 8 juni 1996 Parijs Berlijn
  4. NRC Eddie Marsman 7 oktober 1995 Foto