behoudenis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

behoudenis der kranken
Uitspraak
Woordafbreking
  • be·hou·de·nis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord behoudenis behoudenissen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

behoudenis v [1]

  1. het blijven bestaan van iets of iemand
  2. de redding van iets of iemand
     Want als alle andere hulpmiddelen tekortschieten, als God een volk of een kerk niet geheel verlaten wil, dan wijst Hij ons dit gestadig aan als de enige weg tot de behoudenis daarvan (Jeremia 31:31-33; Ezechiël 11:17-19; 36:25-27).[2]
     Hij hoorde wel het geloei en het gereutel van de offerdieren, maar had er zelf nooit iets van gezien. Zo zijn wij van nature blind voor de weg der behoudenis.”[3]
Synoniemen
Antoniemen

Gangbaarheid

70 % van de Nederlanders;
57 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink Weblink bron “Getuigenis” (08-05-2019), Reformatorisch Dagblad
  3. Bronlink Weblink bron “Ds. Schultink op bidstond GGiN: Onze gemoedelijkheid en traantjes tellen niet mee” (20-06-2019), Reformatorisch Dagblad