behouden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
behouden door het behouden huis op Nova Zembla [2]

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·hou·den
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het werkwoord houden met het voorvoegsel be-.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
behouden
behield
behouden
klasse 7 volledig

Werkwoord

behouden

  1. (overgankelijk) iets niet verliezen, handhaven, in stand houden
    Het Nederlands behield veel van de oorspronkelijke sterke werkwoorden van het Germaans.
  2. (overgankelijk) redden
    De chirurg heeft het been van de patiënt kunnen behouden.
Afgeleide begrippen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen behouden
verbogen

Bijvoeglijk naamwoord

behouden

  1. gered, niet verloren gegaan
    De opvarenden waren gered in het behouden huis.
    Wij hopen op een behouden terugkomst van de reizigers.
Vertalingen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
behouden

behouden

  1. voltooid deelwoord van behouden