beheten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Middelnederlands

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden tijd voltooid
deelwoord
enkelvoud meervoud
beheten behiet behieten beheten
  volledig  

Werkwoord

beheten [1]

  1. overgankelijk voorspellen, aankondigen
    «[...] also alst voren was beheten»
    [...] zoals het voorheen voorspeld was.
  2. afspreken, vooraf bepalen
  3. overgankelijk beloven, toezeggen
    • Zabulon so behiet hy dat lant dat leegt der zee by. 
  4. verzekeren
    «[Hi] behiet hem ende belovede, dat hi hem thoeft af soude slaen, hine lyede verwonnen saen.»
    Hij verzekerde hem en beloofde, dat hij hem het hoofd af zou hakken, als hij zich niet spoedig gewonnen gaf.
  5. + accusatief: dreigen met iets
    • Die doot, hy mynen vader behiet, moete hy selven tierst smaken. 
  6. berokkenen
    • Mijn sware verdriet, dat mi mijn stiefmoeder behiet. 
  7. bevelen, belasten
    • Hi behiet hem, hi moeste vulstaen, sinen broeder te sine onderdaen. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • enen slives beheten
iemand lijfelijke zekerheid geven, voor zijn leven instaan


Verwijzingen

  1. Middelnederlandsch woordenboek van Eelco Verwijs, Jacob Verdam Deel 1, 1885 M. Nijhoff