beheten
Uiterlijk
| stamtijd | |||
|---|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd | voltooid deelwoord | |
| enkelvoud | meervoud | ||
| beheten | behiet | behieten | beheten |
| klasse 7 | volledig | ||
beheten [1]
- overgankelijk voorspellen, aankondigen
- «[...] also alst voren was beheten»
- [...] zoals het voorheen voorspeld was.
- «[...] also alst voren was beheten»
- afspreken, vooraf bepalen
- overgankelijk beloven, toezeggen
- Zabulon so behiet hy dat lant dat leegt der zee by.
- verzekeren
- «[Hi] behiet hem ende belovede, dat hi hem thoeft af soude slaen, hine lyede verwonnen saen.»
- Hij verzekerde hem en beloofde, dat hij hem het hoofd af zou hakken, als hij zich niet spoedig gewonnen gaf.
- «[Hi] behiet hem ende belovede, dat hi hem thoeft af soude slaen, hine lyede verwonnen saen.»
- + accusatief: dreigen met iets
- Die doot, hy mynen vader behiet, moete hy selven tierst smaken.
- berokkenen
- Mijn sware verdriet, dat mi mijn stiefmoeder behiet.
- bevelen, belasten
- Hi behiet hem, hi moeste vulstaen, sinen broeder te sine onderdaen.
- enen slives beheten
iemand lijfelijke zekerheid geven, voor zijn leven instaan
- ↑ Middelnederlandsch woordenboek van Eelco Verwijs, Jacob VerdamDeel 1, 1885 M. Nijhoff