beharing

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

tijger met een witte beharing
Uitspraak
Woordafbreking
  • be·ha·ring
Woordherkomst en -opbouw
  • afleiding van haar met het voorvoegsel be- met het achtervoegsel -ing
enkelvoud meervoud
naamwoord beharing
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

beharing v [1]

  1. de verzameling haren die de huid van mens of dier bedekken
    • Barazite verscheen na afloop voor de camera, in zijn bezwete voetbaltenue. Eén grassprietje plakte op zijn voorhoofd, in contrast met zijn zwarte beharing. Over de rotsfeer in de kleedkamer kwam hij tegen verslaggever Jan Joost van Gangelen met een mooie zin: „Kisten vliegen door de lucht, woorden vallen.”[2] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Wilfried de Jong 18 april 2016