begrotingstekort
Uiterlijk
- be·gro·tings·te·kort
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | begrotingstekort | begrotingstekorten |
| verkleinwoord | begrotingstekortje | begrotingstekortjes |
het begrotingstekort o
- (economie) (politiek) de mate waarin de inkomsten van de staat minder zijn dan de uitgaven
- Er wordt in de Verenigde Staten veel ophef over het begrotingstekort gemaakt, soms door politici die eerder van harte aan de vergroting ervan hebben meegewerkt.
- Regeringen, in de Verenigde Staten en elders, beperken de vrijhandel, ondermijnen de onafhankelijkheid van de centrale bank, laten begrotingstekorten oplopen en schroeven het klimaatbeleid terug. Precies níét wat de meeste economen verstandig vinden.[1]
- Het woord begrotingstekort staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- Zie Wikipedia voor meer informatie.