beginner

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·gin·ner
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord beginner beginners
verkleinwoord beginnertje beginnertjes

Zelfstandig naamwoord

beginner m

  1. iemand die nog maar net iets gaan beoefenen
    • Hij schreef een bridgecursus voor beginners. 
Synoniemen
Vertalingen


Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.