begenadiging

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·ge·na·di·ging
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord begenadiging begenadigingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

begenadiging v

  1. het ontvangen van een gunst
    • Wél spreekt de epiloog over de begenadiging van Jojachin (Jeremia 52:31-34). Hij was een van degenen die al in 597 waren weggevoerd in ballingschap en daarmee direct het oordeel van God ondergaan hebben. Juist voor hén lijkt er hoop te gloren, als de koning die toen was weggevoerd tenslotte genade ondervindt. Zo eindigt dan het boek Jeremia: toch hoop voor dat deel van Israël, dat het oordeel van God aanvaard heeft. [1] 
  2. de kwijtschelding van een straf

Gangbaarheid

80 % van de Nederlanders;
78 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Reformatorisch Dagblad 01-05-2019 Theologenblog: de beweeglijkheid van een Bijbeltekst