befähigen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Duits

Uitspraak
  • IPA: /bə'fɛːɪçən/
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
befähigen
/bə'fɛːɪçən/
befähigte
/bə'fɛːɪçtə/
befähigt
/bə'fɛːɪçt/
volledig

Werkwoord

befähigen

  1. mogelijk maken
  2. in staat stellen