bef

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Jongeman met bef.


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bef
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het ?, in de betekenis van ‘Bargoens: vrouwelijk geslachtsdeel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1510 [1]
  • Leenwoord uit het Frans of Latijn, in de betekenis van ‘witte doek voor de borst’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1599 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord bef beffen
verkleinwoord befje befjes

Zelfstandig naamwoord

bef v/m

  1. (kleding) een kanten lapje dat op de borst gedragen werd in vroeger eeuwen [2]
    • De bef was eigenlijk een soort slabbetje. 
  2. (informeel) vrouwelijk geslachtsdeel [3]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
beffen

bef

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beffen
    • Ik bef. 
  2. gebiedende wijs van beffen
    • Bef! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beffen
    • Bef je? 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.

Verwijzingen