beekdal

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

beekdal
Uitspraak
Woordafbreking
  • beek·dal
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord beekdal beekdalen
verkleinwoord beekdalletje beekdalletjes

Zelfstandig naamwoord

beekdal o

  1. een lager gelegen gebied in het dekzandgebied van Nederland, waardoor een beek stroomt
    • Het resultaat is dat het water weer meandert in het beekdal van de Boven Regge over een lengte van ongeveer 1,4 kilometer. Nettie Aarnink: 'De natuurlijke dynamiek is terugg een [sic!] het riviertje is ook aantrekkelijker geworden.' [1] 
    • Langs de nieuwe N18, bij de brug over de Berkel, bouwt Rijkswaterstaat een uitkijkpunt. Deze nieuwe, groene heuvel biedt bezoekers straks een mooie blik op de weg én het beekdal van de Berkel. Dit uitkijkpunt heeft nu de werknaam spiral hill. [2] 
    • Eerder op de avond gaf meteoroloog Dennis Wilt uitleg over wat ons qua weersextremen te wachten staat. Vaker stevige regen- en hagelbuien, lange en droge zomers. Dat leidt ook in Borne tot overlast. Bij Wilts eigen woning aan de Grotestraat stond het water ooit tot aan de erker. Vooral de wijk Wensink Zuid, gelegen in een beekdal, kampte jarenlang met waterproblemen. Daar wordt sinds vorig jaar serieus werk van gemaakt. Want houden de inwoners van Wensink Zuid droge voeten, dan geldt dat ook voor de rest van het dorp. [3] 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

77 % van de Nederlanders;
67 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen