bedrukte

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·druk·te

Bijvoeglijk naamwoord

bedrukte

  1. verbogen vorm van de stellende trap van bedrukt

Werkwoord

vervoeging van
bedrukken

bedrukte

  1. enkelvoud verleden tijd van bedrukken
    • Ik bedrukte. 
    • Jij bedrukte. 
    • Hij, zij, het bedrukte. 

Bijvoeglijk naamwoord

bedrukte

  1. verbogen vorm van de stellende trap van bedrukt