bedrijvend

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·drij·vend

Werkwoord

stellend
onverbogen bedrijvend
verbogen bedrijvende
partitief bedrijvends

Bijvoeglijk naamwoord

bedrijvend [1]

  1. van een persoon dat deze het vooraf genoemde doet
    • Of in de seksuele voorkeuren die ze in hun latere leven hebben ontwikkeld, zoals een voorliefde voor hetzelfde geslacht? Je moet volgens mij wel in ernstige mate paranoïde zijn als je meent dat de traditionele aanhef die van dames en heren spreekt speciaal bedoeld is om jou – als panseksuele, polyamorie bedrijvende transgender – apart te zetten en buiten te sluiten. [2] 
    • Het was inmiddels 2019. Niet één, ik herhaal, niet één van de getalenteerde islamitische meisjes had het in dit walhalla van de mogelijkheden tot topsportster geschopt. In de zomer van dat jaar werden de voetbalster na een WK door het hele land op handen gedragen. Het getalenteerde, islamitische meisje keek naar haar topsport bedrijvende leeftijdsgenoten en dacht toen stiekem: "Als ik een kans had gekregen was ik beter geweest dan hun allemaal. Dan hadden we waarschijnlijk in de finale wel gewonnen van Amerika." [3] 
Synoniemen

Gangbaarheid


Verwijzingen