bedriegt
Uiterlijk
- be·driegt
| vervoeging van |
|---|
| bedriegen |
bedriegt
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bedriegen
- Jij bedriegt.
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bedriegen
- Hij bedriegt.
- (verouderd) gebiedende wijs meervoud van bedriegen
- Bedriegt!
- schijn bedriegt
zaken zijn niet altijd zoals goed ze er bij oppervlakkige inspectie uitzien
- ∗ 'Ze ziet er niet ziek uit
Schijn bedriegt.[1]
- ∗ 'Ze ziet er niet ziek uit
- Het woord bedriegt staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ↑ Jessie Burton (vert. Marja Borg)“De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024574704