bedilde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·dil·de

Werkwoord

vervoeging van
bedillen

bedilde

  1. enkelvoud verleden tijd van bedillen
    • Ik bedilde. 
    • Jij bedilde. 
    • Hij, zij, het bedilde. 
  2. verbogen vorm van bedild, voltooid deelwoord van bedillen