bedijking

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·dij·king
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bedijking bedijkingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bedijking v [1]

  1. het omgeven van een gebied met een dijk
    • Die laatste factor –bedijking– is van groot belang in dit verhaal: transgressie, de natuurlijke reactie van een wadsysteem op zeespiegelstijging, is niet mogelijk – of in elk geval niet wenselijk. Het is daarmee sedimenteren of verzuipen – en dus wordt de toekomst van de Waddenzee bepaald door een tamelijk ordinaire rekensom: (sedimentatie - erosie) minus (zeespiegelstijging + bodemdaling) is …ja, wat eigenlijk? Aan de andere kant van deze hoogteveranderings-balansvergelijking moet ‘verandering in relatieve maaiveldhoogte’ staan, relatief ten opzichte van de zeespiegel. [2] 
    • Een stijging van 2 meter is nog te pareren met de huidige aanpak van sterkere bedijking, pompen en meer ruimte voor de rivieren. Tussen 2 en 6 meter wordt Nederland een soort groot Zeeland. Bij een nog hogere stijging is het „terra incognita” volgens wetenschappelijk directeur Jaap Kwadijk. [3] 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

80 % van de Nederlanders;
71 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen