bedelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Woordafbreking
  • be·de·len
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘aalmoezen vragen’ voor het eerst aangetroffen in 1501 [1]
  • bedélen: afgeleid van delen met het voorvoegsel be- [2]
  • bédelen: van Middelnederlands bedelen met het achtervoegsel -el [2] en met het achtervoegsel -en [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bedelen
bə.'de.lə(n)
bedeelde
bə.'del.də
bedeeld
bə.'delt
zwak -d volledig

Werkwoord

bedélen

  1. overgankelijk een deel toewijzen aan iemand.
    • Hij bedeelde de armen. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
bedelen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bedelen
/'be.də.lə(n)/
bedelde
/'be.dəl.də/
gebedeld
/ɣə'be.dəlt/
zwak -d volledig

Werkwoord

bédelen

  1. inergatief om een aalmoes vragen.
    • Hij had geen baan meer, waardoor hij de hele dag moest bedelen om aan geld te komen. 
     Van lieverlede werd hij echter beschouwd als de 'vriend der kinderen'. In Nederland leest men over het St. Nicolaasfeest voor het eerst in het jaar 1360. De koorknaapjes in Dordrecht kregen er vrij voor. In optocht trokken zij door de stad en bedelden, met een smekend gebaar, hun bisschopsgeld bij elkaar. Maar in de zeventiende eeuw werd dit verboden![3]
  2. aanhoudend blijven vragen
    • Het meisje bleef bedelen om een nieuwe jurk. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen