bedankte
Uiterlijk
- be·dank·te
| vervoeging van |
|---|
| bedanken |
bedankte
- enkelvoud verleden tijd van bedanken
- Ik bedankte.
- Jij bedankte.
- Hij, zij, het bedankte.
- Ik bedankte.
- ▸ 'Slaoui trok een bankbiljet uit zijn zak en vertrok'. De visser vroeg of hij misschien ook een sigaret voor hem had. Slaoui tastte in zijn broekzak maar die was leeg. Hij zei dat hij er geen meer had en de visser bedankte hem zonder zijn teleurstelling te verbergen.[1]
- verbogen vorm van bedankt, voltooid deelwoord van bedanken
- Het woord bedankte staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ↑ Safae el Khannoussi“Oroppa” (2024), Uitgeverij Pluim
, ISBN 9789493339125