becqueter
Uiterlijk
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| becqueter |
becquetais |
becqueté |
| eerste groep | volledig | |
becqueter
- (dierkunde) (met de snavel) pikken
- (spreektaal) vreten, bikken
- «Y a quelque chose à becqueter dans ton frigo? Parce que j’ai grave faim!»
- Valt er wat te bikken uit jouw koelkast? Want ik verrek van de trek! [1]
- «Y a quelque chose à becqueter dans ton frigo? Parce que j’ai grave faim!»
- [2] becter
- dit werkwoord heeft twee spellingen voor de vervoegingen, namelijk volgens jeter (traditionele spelling) en volgens acheter (verbeterde spelling van 1990)