bebbel
Uiterlijk
- beb·bel
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | bebbel | bebbels |
| verkleinwoord | - | - |
de bebbel m
- orgaan waarmee mensen spreken (voornamelijk in onderstaande uitdrukking)
- ▸ ‘Zever niet!’
‘Niks van. Alleen miserie heb je met dat mens!’
‘Hou je bebbel nu eens alletwee!’[2]
- ▸ ‘Zever niet!’
- je bebbel houdenzwijgen en de behoefte tot spreken onderdrukken
- Dit is Belgisch-Nederlands, maar ook in België geen standaardtaal. [3]
- frequentie in teksten in het Nederlands uit België, op een 7-puntsschaal: [3]
- 1
- frequentie in teksten uit België, vergeleken met die in Nederland, op een 7-puntsschaal: [3]
- 2
- ↑ Walter de Clerck“Nijhoffs Zuidnederlands Woordenboek” (1981), Martinus Nijhoff, 's-Gravenhage / Antwerpen, ISBN 9024790964, p. 39 kol. 2
- ↑ ondertitels in: Ludo Permentier & Rik SchutzTypisch Vlaams. 4000 woorden en uitdrukkingen (2015), Davidsfonds, Leuven, ISBN 9789059086517, bebbel
- 1 2 3 Ludo Permentier & Rik Schutz“Typisch Vlaams. 4000 woorden en uitdrukkingen” (2015), Davidsfonds, Leuven, ISBN 9789059086517, bebbel
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 6
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Klanknabootsing in het Nederlands
- WikiWoordenboek:Pagina's die ISBN magische koppelingen gebruiken
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands