Naar inhoud springen

bebbel

Uit WikiWoordenboek
  • beb·bel
enkelvoud meervoud
naamwoord bebbel bebbels
verkleinwoord - -

debebbelm

  1. orgaan waarmee mensen spreken (voornamelijk in onderstaande uitdrukking)
     ‘Zever niet!’
    ‘Niks van. Alleen miserie heb je met dat mens!’
    ‘Hou je bebbel nu eens alletwee!’
    [2]
  • je bebbel houden
    zwijgen en de behoefte tot spreken onderdrukken
  • frequentie in teksten in het Nederlands uit België, op een 7-puntsschaal: [3]
        1
  • frequentie in teksten uit België, vergeleken met die in Nederland, op een 7-puntsschaal: [3]
        2
  1. Walter de Clerck
    “Nijhoffs Zuidnederlands Woordenboek” (1981), Martinus Nijhoff, 's-Gravenhage / Antwerpen, ISBN 9024790964, p. 39 kol. 2
  2. ondertitels in:
    Ludo Permentier & Rik Schutz
    Typisch Vlaams. 4000 woorden en uitdrukkingen (2015), Davidsfonds, Leuven, ISBN 9789059086517, bebbel
  3. 1 2 3
    Ludo Permentier & Rik Schutz
    “Typisch Vlaams. 4000 woorden en uitdrukkingen” (2015), Davidsfonds, Leuven, ISBN 9789059086517, bebbel