beangstig

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·ang·stig

Werkwoord

vervoeging van
beangstigen

beangstig

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beangstigen
    • Ik beangstig. 
  2. gebiedende wijs van beangstigen
    • Beangstig! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beangstigen
    • Beangstig je?