beaarding

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

beaarding
Uitspraak
Woordafbreking
  • be·aar·ding
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord beaarding beaardingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

beaarding v [1]

  1. begrafenis
    • In plaats van begrafenis schrijft men tegenwoordig nog al eens ‘beaarding’ en in plaats van het stoffelijk overschot ‘hulsel’. Is dit verdedigbaar, of hebben wij hier weder te doen met krantentaal? [2] 
    • Toen de beaarding van Rebecca achter de rug was, sloot de dame rustig haar huis en is er nooit weergekeerd. [3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

72 % van de Nederlanders;
80 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC (1947)– [tijdschrift] Onze Taal De zwakke plek
  3. NRC (1949)–Jacques Schreurs De dame en de dienstmaagd