bazelaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

[2] bazelaar
Uitspraak
Woordafbreking
  • ba·ze·laar
Woordherkomst en -opbouw

Naamwoord van handeling van bazelen met het achtervoegsel -aar

enkelvoud meervoud
naamwoord bazelaar bazelaars
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bazelaar m

  1. iemand die onzin uitkraamt
    • Probeer je toch niets aan te trekken van die stomme vent, het is maar een bazelaar. 
  2. zwaard met één scherpe zijde dat veel lijkt op een machete
Synoniemen
  1. [2] badelaar, faustoen

Gangbaarheid

Meer informatie